In en outs van zoombewegingen

Redactie How to Video opnames

Archief Digital Movie 117-2017
Verstandig in- en uitzoomen met de videocamera vereist de nodige basiskennis. Want wanneer doe je het wel en niet? En waarom doe je het eigenlijk? Richard Helwig legt aan de hand van een aantal simpele praktijkvoorbeelden uit hoe het principe werkt.

In feite combineer je als maker vijf variabelen om betekenis aan het beeld toe te kennen. Denk hierbij aan het camerastandpunt, het kader van het beeld (zeg maar, begrenzing), de scherpte en scherptediepte, de beweging van de camera en tot slot de nabewerking (montage). De cameravoering (de wijze waarop je de camera ter hand neemt) kan als onderdeel van de beeldtaal en de opnametechniek worden gezien. Binnen die opnametechniek is er zo’n ‘handig’ knopje waarmee je kunt zoomen. Je drukt erop en het beeld wordt dichterbij gehaald. En wil je terug door het beeld wijder te maken, dan is dat opnieuw een fluitje van een cent. Zonder zelf van standpunt te hoeven veranderen. Je kunt rustig stellen dat in- en uitzoomen geen beweging van de camera betreft. Het gaat hier om een lensbeweging. Er ligt bij deze werkwijze echter een gevaar op de loer. Want er moet een duidelijke reden zijn waarom je de zoomfunctie gebruikt. Anders zal de kijker te maken krijgen met verwarring. En een teveel aan zoombewegingen is al helemaal niet aan de orde. De kijker zal er misselijk van worden! Gebruik de zoomfunctie vooral om het kader te veranderen.

BeeldgroottesDe verschillende beeldgroottes zorgen voor de variatie die noodzakelijk is om een film te maken. Je kunt dus van de ene beeldgrootte naar de ander in- en uitzoomen. Hoe verschillend kun je personen opnemen? Een extra long shot is een zeer ruime opname waar mensen wel zichtbaar zijn, maar eigenlijk als stipjes. Bij een long shot is er sprake van een ruime opname waar mensen volledig zichtbaar en beeldvullend zijn opgenomen. Een knee shot is wat minder bekend en betreft een opname van een persoon tot aan de knie. In een medium shot wordt bij een lichaam gekaderd op middelhoogte. Als het om close-ups gaat, zijn er drie te noemen. De medium close-up richt zich op de buste tot aan de schouders of de borstkas. In een close-up is alleen een deel van de persoon te zien en in een big close-up betreft dat een detail.

Zelf de nadruk leggen
Waar je bij spiegelreflexcamera’s een oneindig breed assortiment aan lenzen kunt opschroeven als je foto’s wilt maken, is dat bij de gemiddelde videocamera niet mogelijk. Je zult het moeten doen met wat je in de doos aantreft. Juist daarom is het verstandig om hier aandachtig naar te kijken. Tijdens het maken van de keuze voor de diafragmawaarde is de gewenste scherptediepte van belang. Dat bepaalt namelijk hoeveel personen of voorwerpen er binnen een bepaalde afstand scherp in beeld kunnen worden genomen. Bij hogere diafragmawaarden zal de scherptediepte toenemen terwijl deze bij lagere diafragmawaarden afneemt. Een voorbeeld. Je filmt een drukke winkelstraat waarbij je zoveel mogelijk mensen scherp in beeld wilt hebben. Het diafragma zal in dat geval zo hoog mogelijk worden ingesteld. Film je een persoon op het strand die aan het joggen is en moet alleen deze scherp in beeld blijven, dan zal voor een lage diafragmawaarde worden gekozen. Met de scherptediepte kun je als het ware spelen. Zodoende kun je zelf de nadruk leggen op wat je belangrijk vindt en wat niet.

Variabele brandpuntsafstand
Het zoomobjectief is niets anders dan een lenzenstelsel met een variabele brandpuntsafstand. Hierbij kennen we de optische en digitale zoom. Bij het digitale inzoomen wordt een deel van het beeld weggesneden. Het overgebleven deel wordt vergroot met behulp van ingebouwde software. Je raadt het misschien al: dit gaat helaas ten koste van de kwaliteit. Want niet alleen beeldpuntjes gaan verloren maar ook de scherpte wordt beduidend minder. Ga je met een videocamera aan de slag, let vooral op de optische zoom. De brandpuntsafstand wordt aangepast met behulp van het verschuiven van de verschillende delen van de lens. De kwaliteit van het beeld blijft hierdoor stabiel. Mits je een statief gebruikt. Want zeker bij ingezoomde beelden is een dergelijk hulpmiddel noodzakelijk! Vergeet in zo’n geval niet om de functies Steady Shot of Stabilizer uit te zetten. En als je zoomt, doe het gelijkmatig. Een gebrekkige zoom kun je beter niet in de film verwerken. Maak desnoods meerdere opnamen en kies daar de beste uit.

Hoofd- en bijzaakOp welk moment zoom je in? En nog iets: met welke snelheid doe je dit? Ook daar moet je van tevoren goed over nadenken. Als je dichtbij het onderwerp kunt komen, maak daar vooral gebruik van. Je hoeft in zo’n geval helemaal niet in te zoomen! Deze functie moet niet gebruikt worden omdat het handiger is. Omdat je niet even een stukje hoeft te lopen. Zeker als je uit de losse hand filmt, is inzoomen niet verstandig. Het beeld wordt onrustig. Uitgangspunt is dat het zoomen zinvol moet zijn. Het is niet aan te raden om in te zoomen op onderwerpen waarvan het nut van tevoren niet vaststaat. Geoefende filmers weten dat maar al te goed. Het is een klassieke beginnersfout! Zoom in als je ergens de aandacht op wilt vestigen. Hoofd- en bijzaak worden op deze wijze gescheiden. Stel, je filmt een groot publiek van bovenaf. Tussen al die mensen (bijzaak) bevindt zich een schurk die net een overval (hoofdzaak) heeft gepleegd. Als maker weet je precies wie dit is. Je zoomt sterk in op deze persoon zodat de kijker in de gaten krijgt wie je precies bedoelt. Of een verteller in beeld heeft het over een deuk die hij in zijn auto heeft gereden. En dat hij het erg zonde vindt omdat het zo’n mooie auto is. De kijker ziet een totaalshot van de auto (bijzaak) waarbij vervolgens wordt ingezoomd op de deuk (hoofdzaak). En die kan daardoor zelf nog een beter oordeel vellen over wat de verteller is overkomen.

De omstandigheden
Hoe langzaam of hoe snel je inzoomt, hangt een beetje van de omstandigheden af. Een natuurfilm met prachtige beelden en klassieke muziek smeekt om rustige zoombewegingen, terwijl een actie- of horrorfilm juist soms een snelle zoom vereist. Want snel zoomen kan zelfs voor schrik bij de kijker zorgen. Een vrouw is in de donkere kelder van haar huis op zoek naar de oorzaak van een vreemd geluid. Minutenlang sluipt ze door de ruimte terwijl haar hart het bijna begeeft, zo spannend is het. Net als ze haar zoektocht wil staken, klinkt er gekraak van een deur. Vanuit het niets kijkt er plotseling een vreemde man om het hoekje, recht in de camera. Er wordt vanuit een groottotaal (donkere ruimte) snel en sterk ingezoomd op zijn enge gezicht (close-up ontstaat). Het is het beeld wat de vrouw ziet. Een schreeuw klinkt. De montage van deze beelden is opeens razendsnel. Wedden dat (versterkt door deze snelle zoombeweging) de kijker hierdoor op het puntje van zijn stoel zit?

Opnamehoek verkleind
Soms wordt het inrijden gezien als inzoomen. Dat is niet waar. Met een rijder wordt de videocamera daadwerkelijk verplaatst omdat deze op bijvoorbeeld een karretje staat. Het perspectief verandert. Zoom je in dan wordt de beeldhoek veranderd, maar dat geldt niet voor het perspectief. Bij het inzoomen wordt de brandpuntsafstand verlengd en de opnamehoek verkleind. Inzoomen hoeft niet altijd te betekenen dat op een bepaald onderwerp de nadruk wordt gelegd. Bij een flashback bijvoorbeeld wordt ingezoomd op de knipperende ogen van een persoon die half in slaap valt. Het beeld wordt vaag en vervolgens wordt de kijker meegenomen naar een stukje verleden. Daar kunnen zich allerlei avonturen afspelen. Is dat honderden jaren terug, dan zou je die beelden in zwart-wit kunnen weergeven. Hiermee wordt een duidelijke scheiding tussen het heden en verleden gemaakt. Dat een flashback altijd van korte duur is, hoeft niet altijd zo te zijn. Belangrijk is dat de kijker zich blijft realiseren dat er vanuit het tijdelijke verleden wordt gehandeld. Na afloop van de flashback zou je de onscherpe ogen van de persoon weer in beeld kunnen nemen waarna er wordt uitgezoomd totdat het gehele gezicht scherp wordt weergegeven. De persoon schrikt wakker en roept: ‘Hé, ik heb maar gedroomd!’. De kijker bevindt zich weer in het heden. Zoiets zou je ook kunnen doen met een flashforward. Er wordt niet in het verleden, maar juist in de toekomst gekeken. Als een soort van fantasiebeeld.

Verrassingseffect
Uitzoomen kan voor een verrassingseffect zorgen. De kijker ziet een bepaald detail. Op dat moment is onduidelijk om welk detail het gaat. Waar maakt dit onderdeel van uit? Bij een close-up ziet de kijker dat het opgenomen onderwerp dichtbij het objectief lijkt te zijn. Bij de kijker wordt met een dergelijke uitsnede een mate van betrokkenheid gecreëerd. Door uit te zoomen wordt het geheel aan onderwerp zichtbaar. Een bloemblaadje wordt een uitgestrekt veld met kleurige bloemen, een wieldop wordt een dure sportauto en een knoopje wordt een nette spijkerbroek. Bij het uitzoomen wordt de brandpuntsafstand verkort en daarmee wordt de opnamehoek vergroot. Uitzoomen is nodig om ruimte voor overzicht te geven. Wanneer is dat aan de orde? Denk aan een spannende achtervolging van twee personen, de dief en zijn slachtoffer. Het heeft geen zin om in zo’n geval alleen close-ups te gebruiken. Weliswaar zit de kijker overal bovenop, maar enig moment voor het verkrijgen van waar de personen zich nu eigenlijk bevinden, is er niet. Springen beide personen vanaf de brug het water in dan is een totaaloverzicht noodzakelijk. Je zou de personen zelfs vlak voor de sprong ingezoomd kunnen opnemen terwijl er tijdens de sprong snel wordt uitgezoomd.

Handig hulpmiddel
Zoomen kun je zelfs doen zonder dat je filmt. Als handig hulpmiddel. Wil je scherpstellen op een onderwerp, zoom eerst helemaal in, stel scherp en zoom uit. Nu weet je zeker dat de scherpstelling correct is, mits het onderwerp natuurlijk niet tussentijds beweegt!

Richard Helwig

 

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Check Also
Introductie Samyang
Transcontinenta kondigt hierbij met trots haar vierde Full-Frame autofocus objectief aan voor de Sony E ...